Water naar zijn molen brengen

 

Door Jef Asnong  Longueil  Québec Canada

http://pages.videotron.com/asnong/

De duikers van de Kleine Herk en de Grote Herk                    

Van tijd tot tijd doet men ontdekkingen die fascinerend zijn gezien het vernuft en de vindingrijkheid die onze voorouders wisten voor de dag te brengen in lang vervlogen tijden. Zij wisten de drijfkracht uit te baten die verscholen zat in kleine beken. Niet alleen bouwden zij molens op waterwegen,dikwijls op grachten, zij wisten ook, gelijk een Frans spreekwoord dat uit, water naar hun molen te brengen.  In de beemd van Sint-Lambrechts-Herk, mijn geboortedorp, ontmoette ik zo een geval dat mij ook het verloop van de tijd liet meten. 

Ik heb schone herinneringen aan die beemd. Een uitgestrekte gemeenschapswei, liggende, nogal laag, tussen de gemeente Herk en het gehucht Terkoest en verderop Alken-dorp. Toen ik heel jong was, een mannetje van zes of zeven, ging ik er van tijd met mijn vader naar toe, des avonds, soms om een vaars of een koe te zoeken of te verzorgen. Het was nogal uitgestrekt, maar men voelde er het tradionele leven van de voorouders die, in ver voorbije tijden, hier ook hun beesten kwamen weien. Men was er in kontact met de atmosfeer van verleden verstandhoudingen en met het legendarische.

 

Sinds lang uit het dorp vertrokken, ben ik er enige tientallen jaren geleden teruggekeerd om de omgeving iets verder te verkennen. Zo ontdekte ik Terkoest, de oude molen die de naam de “Nieuwe Molen” draagt, en ook dat er niet juist maar één riviertje, de Herk, daar door het laagland liep, maar ik zag daar duidelijk twee beken, niet ver van elkaar gescheiden en natuurlijk noodgedwongen lopend in de zelfde richting.  

 

De Oude Herk en de Nieuwe Herk: zo noemde men mij deze riviertjes of beken eigenlijk. Men sprak ook over de Kleine Herk en de Grote Herk: de eerste is ook gewoon de Herk genoemd. Maar de tweede ook. Ik kon het niet uit elkaar houden, want er waren ook enkele tegenstrijdigheden in de beschrijvingen, die men mij ervan deed.  Dit duurde tot verleden jaar toen ik met enkele landkaarten dat eens iets nader bezag. Zo ontdekte ik niet alleen dat de kaarten nogal verschilden de een van de andere, maar ook in uitleg aangaande deze vaagheden. Ik ontdekte op deze kaarten als werkelijkheid dat de Kleine Herk aan de noord kant liep van de Grote Herk, maar iets verder, rustig verder liep, maar dan aan de zuid kant. Ik vroeg raad aan mijn neef Gerard Jeuris, die daar vroeger heel kort bij woonde en gedurende een langer periode dan ik. “Ja”, zegt hij, “maar daar op een plaats hebben ze een duiker gevonden, waar de ene beek onder de andere door loopt.”

 

En het zou in dit geval heel oud zijn, gemaakt van hout en stammend uit de tijd der Romeinen of in alle geval uit de oudheid. 

 

Ik op informatie. Een duiker, zegt me mijn neef Bernard Voordeckers, is een constructie die een beek of riviertje onder een andere door leidt. Een sifon dus. Of een overbrugging. Daar word het interessant: dat in ver voorbije tijden de mensen zulke techniekkwesties aangrepen en baas waren om hun afwateringproblemen op te lossen. Maar welk was het probleem hier? Ik kon mij goed voorstellen dat, als enkele graanvelden lager liggen dan het waterpeil van de in de buurt lopende beek, dat men dan zou moeten een langere gracht graven om de beek een beetje verderaf te kunnen bereiken, waar zij op een lager peil loopt. Maar als er dan daar zulk een hoogte in de weg ligt, die dat onmogelijk maakt, terwijl aan de andere kant van de beek het land veel lager ligt, dan kan zulk een duiker de juiste oplossing zijn. Men leidt de gracht onder de beek door en verderaf vloeit het water in de grotere beek vanaf de andere kant. 

 

Sommige kaarten zijn erg onprecies, maar ik vat stilaan dat er niet één maar twee duikers zijn. De ene beek loopt onder de andere door en iets verder weer terug. Is dat waar? En waarom? Ik vraag aan Bernard en Eugene, mijn broer.  

 

De eerste, Bernard, neemt contact met René Neutelaers, conservator van de natuurvereniging “Herk en Mombeek». Zo schrijft Bernard mij de bevestiging dat er inderdaad “twee duikers moeten geweest zijn op de knooppunten van de Kleine Herk en de Grote Herk (ofwel respectievelijk de Oude Herk en Nieuwe Herk). De tweede, René, noemde de duiker een dijkbrug en ze waren inderdaad in eikenhout tot omstreeks 1943. Tijdens de Duitse bezetting zijn de houten duikers verdwenen en vervangen met nieuwe vervaardigd in beton.” 

 

Eugene, al op zoek naar uitleg, stelt voor dat, als daar twee beken zijn, dit misschien te doen heeft met konfliktuele gebruikersrechten. Hij denkt aan watermolens op deze beken. Zou het kunnen dat boeren en herders laag water en droog land nodig hadden, terwijl molenaars stuwkracht en hoogwater wilden? Vandaar de oplossing van een tweede, kunstmatige beek: de Nieuwe Herk.

 

Dit ligt inderdaad aan de basis van deze realisaties. 

 

Het schone en uitgestrekte landbouwgebied van Sint-Lambrechts-Herk ligt naar het noorden op een hoogte. Er is daar zelfs een straat die de Hogebergstraat heet! Steil is ze ook. Er zijn dus vele hectaren die moeten afgewaterd worden en vlug: een hele massa water die de Kleine Herk maar nauwelijks kan slikken. En dus waren er ook overstromingen. Maar in die tijd, van voor de elektrische motors, is het ook noodzakelijk de aandrijvingkracht niet alleen van rivieren maar ook van de kleinste beekjes in gebruik te nemen. Tegenover de Oude Herk ligt het land lager; van die kant is er een kleinere hoeveelheid water die moet afgeleid worden. En iets verder is de toestand juist omgekeerd, het hoogland liggend aan de zuid kant. Er dus mogelijkheid om een nieuwe beek te graven, altijd gelegen aan de kant van de Oude Herk van waar het meest water komt, en altijd hoger gelegen, die het water opvangt, maar waarin het water kan opgehouden worden op lange termijn, genoeg om de molens te doen draaien, terwijl de oude beek het land droog houdt. Dus is het nodig dat eventueel de Nieuwe Herk, die hoger ligt, over de Oude Herk door moet, volgens de hoeveelheden water aan de linker of de rechter kant. Men merkt vlug dat alle molens van de Herk vallei, en dit van Alken tot Terkoest, allen liggen aan de Grote Herk of de Nieuwe Herk. En van in het dorp van Alken tot Terkoest ziet men regelmatig ruïnen van dammen, die vroeger dienden om het water op te houden, als reserve of als voorraad om er later mee te malen. Zoveel te meer dammen, die zo het water ophielden, zoveel te groter de waterhoudings-capaciteit van het riviertje. En in geval dat er zoveel water in die beek stond dat het de normale afwatering van het land stoorde dan konden nog altijd de sluizen geopend worden. In geval van overstromingnood kon de nieuwe beek volledig ingeschakeld worden of toch voldoende om de nood af te wenden.

 

 Ik wou dat terrein zien, verstaan. In mijn hoofd zag ik die wereld van vroeger, van voor al onze moderne politiek, toen het nog nodig was dat de dorpslui zich verstonden onder elkaar, oprecht met elkaar spraken, toen ze willens nillens aan dezelfde koord moesten trekken als zij wilden overleven.

 

Om te overleven moesten zij zich op een gegeven moment vestigen. De tijd van de nomaden was voorbij. De beemden hoorden toe aan heel de dorpsgemeenschap. Het land kon maar bewerkt worden als de landbouwers zich verstonden met de mensen van de molens en de veehouders. Het sedentarisme, een vaste standplaats kiezen en aanpassen, was de oplossing geworden maar om die te verwezenlijken moest men hier toch een nieuwe beek graven.  

 

En zo, uitgenodigd door Bernard om mijn heimat nog eens komen te bezoeken, zo zijn wij dan samen op verkenningstocht geweest op zoek naar de duikers. Bernard had erover gepraat met M. René Neutelaers, en deze, een vriend van mijn vader, hield eraan mij dit te laten zien en uit te leggen. Wij deden dat wel, noodgedwongen, in twee keer. Tijdens onze eerste uitstap, op 29 september 2006, werden wij aangevallen door een zwerm hoornaars of roofvliegen. René werd gestoken en werd er tamelijk kwalijk van. Terugtocht, dokter, Medische Urgentie Groep, hospitaal en de schrik…. Gelukkig was de dag erna alles in orde en René drong aan om terug te gaan. De 14 oktober togen wij opnieuw aan het werk.

 

 Naamloos-1

 

Gemeente Sint-Lambrechts-Herk, détail, 2006

 Ik geef U dadelijk hier de kaart, waarop ik onze bevindingen van het toen verkende landschap optekende. Het was niet gemakkelijk, want in feite zijn er niet alleen deze vier beken die ik optekende; er zijn er nog verschillende

 

andere, bijzonder in de richting van Alken. Eigenlijk ziet het eruit alsof dit vroeger een heel moerasgebied was en dat het heel wat ingenieuze ingenieurschap vergde om dit droog te krijgen en het in beemdengebied te scheppen. De meeste landmeters, gezien de zo grote schaal van hun kaart, zijn tevreden als ze grosso modo de grootste beek zo ongeveer kunnen aanduidden. Dikwijls komen dan vergissingen voor betreffende welke beek de voornaamste is want er zijn meerdere beken die ongeveer dezelfde afvoer hebben. De Oude Herk of de natuurlijke waterloop, en zo dus de meest bijzondere, heeft niet het grootste debiet. Van duikers en “een onder een andere doorlopende beek” kan er op zulke kaarten geen notitie zijn. Ik vraag mij wel af of een goede militaire stafkaart wel in zulke kleinigheden gaat. De enige die ik gezien heb, was nog getekend op een te grote schaal en miste menig détail.  

 

Als basiskaart heb ik een kaart gebruikt van de gemeente Sint-Lambrechts-Herk van uit de jaren 1970. Deze kaart koos ik omdat zij toch vrij schijnt te zijn van de grootste vergissingen die ik op enkele andere vaststelde. Haar zwakke plek ligt in het feit dat ze zich beperkt tot het grondgebied van de gemeente. De zuidelijke gemeentegrens, hier afgetekend met een puntlijn, schijnt getrouw de loop van de Oude Herk of de Kleine Herk en van de Oude Mombeek te volgen. Wij hadden René Neutelaers bij ons en hij heeft de goede kaart in zijn hoofd! 

 

Onze uitstap begint aan punt 1. De Kleine Herk, een brede gracht eigenlijk, loopt er door een weiland dat een erg ongelijk reliëf aantoont. Dit is te wijten aan de talrijke, nu droog liggende, oude meanders van de Kleine of Oude Herk. Het kruis op de kaart stelt een stenen kruis voor dat daar werd aangebracht, aan de kant van de beek, midden in de weilanden, tot nagedachtenis van Lambert Neven die hier in het jaar 1905 om het leven kwam door een houthakkersongeluk.

 

image003 Punt 1: Op de voorgrond, de Kleine Herk. Het stenen kruis zit verscholen onder het braambos. 

image005Punt 1: Foto van een andere periode met het stenen kruis van Lambert Neven.

Punt 2: De samenloop van de Kleine Herk met de Oude Mombeek. René zegt dat deze samenloop werd verplaatst in het verleden. Ik denk dat de kaart hier de oude situatie uitbeeldt en dat punt 2 iets meer naar het noorden ligt.

image007Punt 2 : Onder het struikgewas lopen twee beekjes te samen.

In alle geval, na deze samenloop heet het beekje de Kleine Herk. Kortbij is er nu een nieuwe brede en drukke autoweg Hasselt/Sint-Truiden, die we oversteken.

 Punt 3, is een punt op de Mombeek zelf. Dus niet de Oude Mombeek! Het punt is aangetekend door een pijl en een witte hand. De pijl wijst naar een betonnen voetgangersbrug, die nu door erosie totaal is scheefgezakt.

 

image009

Punt 3: René Neutelaers, Bernard Vordeckers en in de achtergrond, de oude voetgangersbrug.

Met de witte pijl is het iets ingewikkelder en dit heeft iets uitleg nodig. Iets verder van dit punt 3 wordt op het plan een van onze duikers aangeduid met een zwarte hand en nog verder de tweede duiker met twee zwarte handen. De zwarte handen wijzen de duikers die de kleine Herk toelaten onder de Grote Herk door te vloeien. Maar er zijn nog andere duikers op dit meesterwerk van hydraulische techniek. Juist ten noorden van punt 3 ligt een laagland. Dus deze waterafloop moet naar de Kleine Herk. En omdat de Mombeek daar juist doorkomt tussen het laagland en de Kleine Herk, die het water moet evacueren, werd hier vroeger “ergens” een houten duiker onder de Mombeek gelegd. De Mombeek moet voorbijgestoken worden omdat die moet bijdragen aan de aanvoer van water voor stuwkracht. Op de kaart, uiterst links, maar in werkelijkheid nog verder naar het westen dan aangeduid, ziet men twee witte wijzende handen. Dat is de tweede duiker van dit type. Er komt daar een beek van het dorp Kozen, in het zuiden gelegen. Maar daar loopt de Kleine Herk nu ten noorden van de Herk. Dus moet het water van die beek onder de Grote Herk door naar de Kleine Herk: de afvoerbeek.  

 

Iets verder dan punt 3 is punt 4: de Mombeek vloeit hier in de Grote Herk, die van het zuiden komt, maar van verder dan de kaart aantoont.

 

image011

De horzel of roofvlieg

image013Punt 4: De Mombeek (links op de foto) vloeit in de Grote Herk (rechts). In de verte, op de Grote Herk, ziet men een stuk zwarte muur (punt 5): een deel van de duiker die daar werd gebouwd

Op punt 5, een beetje stroomopwaarts, heeft de Grote Herk de Kleine Herk overbrugd. Er staat daar een stevig betonnen werk. Het was tot hier dat wij kwamen gedurende onze eerste tocht. Kruipend over een gevallen boom stoorden wij een nest horzels, reuze wespen, die daar huisden. En hier begonnen wij dus onze tweede uitstap.

image015 Punt 5: Een stevige overbrugging. Bernard en René turen naar het water van de Grote Herk. De Kleine Herk loopt onder de betonnen structuur. Zoals gezegd, iets verder wordt het riviertje Grote Herk nog versterkt door de samenloop van de Mombeek.

Geluk dat wij René hebben, want hij kent hier alle beken van uit zijn kinderjaren, de tijd toen men daar mensen in de weiden tegenkwam en iedereen de namen van al de beken kende!

 

 Dus van dit punt loopt nu de Grote Herk, de kunstmatige beek, aan de noorderkant en de Kleine Herk aan de zuiderkant. En dit gaat niet zo lang duren: 500 meter ongeveer als het niet minder is. Daar loopt de Grote Herk weer over de Kleine Herk. Na een halve kilometer ongeveer, zou het af voeren van water van de zuiderkant hier meer nodig zijn dan zulke nood aan de noorderkant.

 

 Aan punt 6 was vroeger niets te zien. Beide beken liepen er iets verder, aan punt 7, afzonderlijk onder de ijzerweg door. Gelijk onze ouderwetse kaart het toont. Bernard heeft mij oude foto’s laten zien waar men de twee bruggen ziet. Drie bruggen feitelijk gezien dat er iets naar het noorden ook een brug is voor de Molenstraat. Maar dat is zo niet meer. Sindsdien moet het wel nodig geweest zijn om de bruggen te vernieuwen. Hebben de ingenieurs gedacht dat, vermits er geen molens meer draaiden, men het oude systeem ook niet meer moest in stand houden? En zo komt het dat, in plaats van twee nieuwe bruggen te bouwen voor de twee waterlopen, zij het misschien gepaster vonden de twee beken te doen samenvloeien. En dat zien we op punt 6.

 

image001Punt 6: Moderne samenloop van de Grote Herk (links op de foto) en de Kleine Herk (rechts)

 En hand in hand lopen de Grote Herk en de Kleine Herk door onder de nieuwe brug. Punt 7. En wij volgen.

image003Punt 7: De nieuwe brug. Er is een wegeltje onder de brug, maar aan de andere kant van het water. Om het te bereiken speelt men een beetje acrobaat over de cementen muren gelijk Bernard het doet.

 Aan de andere kant van de ijzerweg, punt 8, gaan de twee beken weer uiteen. Men heeft daar een prachtig zicht. Schilderachtig denkt men, maar de schilders van Herk weten dat ook uit hun eigen! Zij maakten er schone werken van.

Rechts loopt de Grote Herk en de Kleine Herk vlucht naar links. 

 

image005Punt 8: De scheiding van de twee beken. In de verte de kerktoren van Sint-Lambrechts-Herk.

 Rechts is punt 9: de Molenstraat. Daar staat nog een muur langs het water: alles wat overblijft van een oude molen. En men stelt zich de vraag waarom de Grote Herk hier aan de noorderkant moest vloeien: omdat er eigendomsrechten waren, die hier het sterkst telden? Of misschien was het een gemeentemolen en was het meer doelmatig voor de meeste mensen als die molen aan de noord kant stond? Denkelijk was er meer water beschikbaar aan deze kant van de rivier.

image007Punt 9: Aan de waterkant, ruïne van de oude molen

En hier een foto van die molen hoe ze vroeger was. Maar het zicht is hier vanuit de tegenovergestelde richting.

image009

Punt 9: De oude molen (Foto Kameleon, Herk)

Aan punt 10 vinden wij onze tweede duiker, of de terugkeer van de Grote Herk over de Kleine Herk. Natuurlijk, na de onderbreking aan de spoorweg, betekent de Kleine Herk niet meer zoveel.

image011Punt 10 (foto a): De tweede duiker. Waar Bernard staat loopt de Kleine Herk onder de Grote Herk door.

De twee volgende foto’s zijn ook van deze duiker, kwestie van beter te begrijpen hoe zo een structuur er uit ziet. De volgende foto b toont de Kleine Herk die verdwijnt onder de Grote Herk.

image013Punt 10 (foto b): Men merkt hier de Kleine Herk die vloeit onder de betonnen dijk. Dit is dezelfde als deze waar Bernard opstond op vorige foto.

image015Punt 10 (foto c): En dit is een zicht naar de andere kant. De eigenaars van het aangrenzende land bouwden er een brugje over de oude dijk, die de Grote Herk in zijn bedding houdt.  

Iets verder komen wij aan punten 11 en 12. Hier lopen beide riviertjes, respectievelijk de Kleine Herk en de Grote Herk, onder de Grote baan of de Oude steenweg Hasselt/Sint-Truiden door. Elk riviertje heeft zijn brug en de Grote Herk of de Nieuwe Herk ziet er in alle geval statiger uit.

 

image017Punt 11: De loop van de Kleine Herk onder de Grote baan met Bernard Voordeckers en René Neutelaers.

image019Punt 12: Juist iets naar het zuiden, de loop van de Grote Herk onder de Grote baan met Bernard en René.

Punt 13 is aan de andere kant van deze steenweg. Daar lopen beide beken naar het westen door de oude beemd, heel kort bijeen, maar gescheiden. Meestal lopen zij niet heel ver de een van de andere. Dikwijls is de afstand die hun scheidt niet meer dan een tiental meter.

 

image021Punt 13: Aan de westerse kant van de Grote baan. De Kleine Herk (rechts) en de Grote Herk (links) lopen kort bij elkaar door de Herkse beemd.

Verderop bevindt zich ook de molen van Terkoest die beschermd erfgoed is en heel gerestaureerd werd. Maar zonder water zal zij niet veel meer draaien, al is het maar om te laten zien.

image023De molen van Terkoest: Bernard Voordeckers en Lodewijk Boussier, die hier uitleg geeft. De Grote Herk vloeit hier onder de brug door, die men juist voor het waterrad ziet.

Wil het hele systeem nu verloren gaan of is er goesting om te beschermen? Ik denk toch dat wij ons hier in een nog schoon natuurmidden bevinden. Ik denk dat er nog meerderen zijn, die vinden dat de Herkse en Alkense beemden een uniek geheel vormen. Ik zou ook nog willen zeggen dat als men dit domein zoveel mogelijk zou willen intact houden, dit ook betekend dat men het waterstelsel zoveel als het redelijk kan moet bewaren en onderhouden.

Voor zover ik het zie gaat het hier om een wijds project van de oude Herkenaren en Alkenaren om zich te vestigen in deze natte streek, om het droog te leggen, om het land te doen gedijen terwijl men ook aan de nood voldeed om zoveel mogelijk kracht van deze waterlopen te verkrijgen en het verslijtend lichamelijk werken en slaven te verminderen. Het gaat om techniek getoetst aan verstandhouding, het zoeken naar een evenwicht tussen uiteenlopende interesten. Het gaat het om een project van sedentarisatie, van zich te hechten en te vestigen, en dat gebeurde dikwijls in moeilijke omstandigheden.

Sindsdien is die tijd nu voorbij. Eerst was er een weg voor het lokale verkeer van karren en voetgangers. Dan kwam de trein, en hier de ijzerweg. Daarna de auto en de steenweg. En nog later de brede snelweg met druk verkeer, omdat de oude Sint-Truider steenweg het niet meer kon slikken. Drie grote verkeersaders lopen daar, elk op enkele honderd meter van elkaar gescheiden. Vissen schijnen er niet meer te zijn in wat blijft van vloeiend water, zo zegt René Neutelaars, en de rust, de vrede van de buiten is er uit. Dit unieke watersysteem is op een plaats doorbroken. Ook het luchtruim is vandaag een druk verkeerskruispunt.

Laat ons iets houden dat zo prachtig getuigt van het verleden. En als het echt niet kan, vooraleer dat wij het vernielen en het weg is, laat ons er toch eens over denken, verstaan zodat wij begrijpen wat het betekende en hoe het was.

René Neutelaers, Bernard Voordeckers

 en Jef Asnong, 6 december 2006

 

Met dank aan Jef Asnong ,  René Neutelaers en Bernard  Voordeckers voor dit mooi artikel.

 

Advertenties

Onze burgemeesters

Tijdlijn burgemeesters Alken

De Geschiedenis van verdwenen woningen in Alken Centrum

Huis Maris

Op de kaart van Alken Centrum omstreeks 1810 op perceel 367 (nr.24) bevond zich een huis dat aanleunde aan de kerkhofmuur pal tegenover café “De Ton” (nr.15) en de boekenhandel “De Bib”. De kadastergegevens vermelden dat het werd bewoond door het gezin Jan Driesen – Deveu.

 

blad 0810 Huizen K1 tem K7 Driesen F 367

 

 

Driesen Peter

 

 

blad 0777

Zicht gezien van het Laagdorp

blad 0915

Richting Motstraat

 

blad 0910

Links huis Maris – rechts nu café “De Ton”.

De dochter Anna Catharina Driesen huwde met Jan Boes (zijn broer Guillaume Boes was de overgrootvader van Eduard Boes, stichter van de brouwerij Cristal Alken). Na de dood van Jan Boes  (+1862) koopt Anna Catharina Driesen nog een stuk grond naast de woning. Hun dochter Aldegondis Boes huwt Joannes Felix Loix die een boerderij uitbaatte waar thans het gemeentehuis is.

 

blad 0850-bis Mappen 223 kj 1864 Folio

 

In 1897,  na de dood van Joannes Felix Loix verkopen de kinderen Loix de woning aan Grégoire Robben uit Luik.

 

blad 0870

blad 0880 kinderen Loix

 

In 1916 erft de dochter Maria Rosalia Robben het huis en verkoopt dit in 1918 aan de familie Maris – Corfs.

blad 0900 Robben Gregoire 1918

 

blad 0920 - Maris

 

 

blad 0940

 

Hun dochter Maria Maris huwt met Alex Vranken, onderwijzer aan de Gemeentelijke jongensschool.

blad 0950 - Carlo Vranken

 

In 1954 verkopen de kinderen Vranken het huis aan de Belgische Staat, waarna het in 1959 wordt gesloopt om de doorgang van de weg te verbreden.

 

blad 0960 verkoop 1954

 

 

 

blad 0980 staatseigendom 1959

 

Hieronder een beeld uit de jaren ’60.

blad 0985

 

Huidige toestand

IMG_0362

 

 

blad 0990

 

De geschiedenis van verdwenen woningen in Alken Centrum

Inleiding

Zoals reeds in het artikel van juni 2015 werd aangehaald is het archief van het kadaster een grote hulp bij opzoekingswerk over personen en goederen. Vandaag gaan we het hebben over de woning van Hubertine Martens die omstreeks 1960 gesloopt werd om plaats te maken voor een parkeerplaats aan de kerk. De oudere ♥ Alkenaren  zullen zich dit huis nog wel herinneren!

 

Hoogdorpstraat richting gemeentehuis

 

Het huis Hubertine Martens

Hubertine Martens werd geboren te Alken op 27 november 1889 en overleed op 31 augustus 1968 te Mol. Zij was gehuwd met Hubert Alfons Cosemans maar werd reeds weduwe op 36-jarige leeftijd. Zij was winkelierster en baatte ook de herberg uit.  Eén van haar broers was onderwijzer Désiré Martens uit de Meerdegatstraat. Zij had ook nog een zuster Marie Theresia, missiezuster in India.

Op onderstaande foto ziet men tussen de kerk en het huis een deel van de huidige pastorie. Achteraan rechts het gemeentehuis en verder “’t Bergske” de bakkerij Castro.

Zicht hoogdorp

 

De tuin achter de woning en daarachter de tuin van de pastorie was afgeboord met een stenen muur zodat het steegje van de Hoogdorpstraat naar de Sint-Aldegondislaan “tussen de stenen muurtjes” werd genoemd.

 

Tussen de stenen muurtjes

 

 

kerk centrum2

Hoogdorp 111

Rechts de woning waarvan sprake

 

Huidige toestand

 

Historiek

Op de kaart van Alken Centrum omstreeks 1822 had de woning het perceelnummer 360, (klik op de kaart en vergroot). Rechts in het blauw met perceelnummer 361 was het toenmalig gemeentehuis.

 

blad 0780

 

Omstreeks 1820 woonde er Laurent Vendrix, klompenmaker en herbergier, overgrootvader van Camille Vendrickx, onderwijzer te Alken en betovergrootvader van Lutgarde Vendrickx –heeft gewerkt op de burgerlijke stand van onze gemeente–  en haar broer Luc Vendrickx, priester en nadien kanunnik en algemeen secretaris van het Bisdom Limburg († Hasselt 1992).

Luc Vendrickx

 

Vendrix

 

Hieronder de gegevens (na 1838) van perceel 360 uit de kadaster-archieven, met vermelding “Weduwe Laurent”.

Vendrickx

 

Samenstelling gezin

VENDRIX Laurent

Klompenmaker, herbergier
= 07‑12‑1783 Alken                               + 03‑08‑1838 Alken
(zoon van VENDRIX Arnold en JANS Elisabeth Catharina)
x     14‑01‑1818 Alken
MOMMEN Maria Joanna
= 04‑04‑1794 Alken                            + 03‑08‑1859 Alken
(dochter van MOMMEN Nicolas en ESSELEN Maria Agathe)

Uit dit huwelijk:

  1. Joannes Arnold

Priester gewijd te Luik op 21 augustus 1842, pater Aloysïus
* 06‑11‑1818 Alken                   + 27‑07‑1893 Sint‑Truiden
= 06‑11‑1818 Alken
(doopgetuigen: Ademus Vendrickx ‑ Maria Mommen)

  1. Joannes Nicolaes

* 09‑11‑1820 Alken                   + 09‑09‑1821 Alken
= 09‑11‑1820 Alken
(doopgetuigen: Nicolaus Mommen ‑ Gertrudis Vendrix)

  1. Louis

Pater Aloïsius
* 02‑08‑1822 Alken                   + 03‑03‑1893 Hasselt
= 03‑08‑1822 Alken
(doopgetuigen: Arnoldus Vendrikx ‑ Maria Ida Mommen)

  1. Maria Joseph

Ongehuwd, winkelierster
* 02‑06‑1824 Alken                   + 13‑02‑1890 Alken
= 02‑06‑1824 Alken
(doopgetuigen: Petrus Joannes Vendrikx ‑ Anna Maria Josepha Mommen)

  1. Anna Elisabeth

Religieuze te Gent
* 04‑09‑1826 Alken                   + 22‑07‑1909 Gent
= 05‑09‑1826 Alken                   ∩ 24‑07‑1909 Gent
(doopgetuigen: Nicolaus Vendrikx ‑ Maria Elisabeth Mommen)

  1. Maria Agatha

Ongehuwd
* 04‑12‑1828 Alken                   + 26‑09‑1881 Alken
= 04‑12‑1828 Alken
(doopgetuigen: Joannes Nicolaus Mommen ‑ Anna Gertrudis Vendrikx)

  1. kind zonder leven

* 02‑02‑1831 Alken                   + 02‑02‑1831 Alken

  1. Maria Catharina

Kloosterlinge
* 01‑01‑1832 Alken                   + 13‑02‑1909 Luik
= 08‑01‑1832 Alken
(doopgetuigen: Guilielmus Noelanders ‑ Anna Maria Thoelen)

  1. Henricus Amandus

Bakker
* 16‑02‑1834 Alken                   + 09‑12‑1918 Alken
= 16‑02‑1834 Alken                   ∩ 12‑12‑1918 Alken
(doopgetuigen: Joannes Vendrickx ‑ Anna Maria Billen)
x 19‑02‑1862 Alken met BECKERS Maria Ludovica Alphonsia
(dochter van BECKERS Louis en ISTAZ Anne Catherine)

  1. Felix Antonius

* 02‑01‑1836 Alken
= 02‑01‑1836 Alken
(doopgetuigen: Ludovicus Vendrix ‑ Josepha Vendrickx)

  1. Petrus Hubertus

Ongehuwd, schatbewaarder van de kerkfabriek, winkelier
* 22‑12‑1838 Alken                   + 07‑05‑1913 Alken
= 22‑12‑1838 Alken                   ∩ 15‑05‑1913 Alken
(doopgetuigen: Arnoldus Hayen pro Petro Mommen ‑ Maria Oda Briers)
Het gezin Laurent Vendrix-Mommen had dus 11 kinderen,  waaronder 4 kloosterlingen. Spijtig genoeg ontbreekt het bidprentje van Maria Catharina Vendrickx kloosterlinge, overleden in 1909 te Luik.

 

Vendrickx007_01

 

 

 

 

 

 

 

 

Vendrickx007_03Vendrickx009-01

 

Om toch even in de sfeer van bidprentjes en kloosterlingen te blijven kan ik ook nog dit vermelden: de vrouw van Laurent Vendrix –Maria Joanna Mommen– had een broer Petrus Mommen.

 

Mommen-55006pro-genVendrickx009-03

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Na de dood van Maria Joanna Mommen in 1859 werd de winkel uitgebaat door Petrus Hubertus Vendrickx en zijn zus Maria Josephina tot bij haar dood in 1892.

kinderen Laurent

Bij de dood van Petrus Hubertus Vendrickx in 1913 komt het huis in bezit van de familie Joseph Vendrikx – Theresia Lambrechts. Joseph was de kleinzoon van Laurent Vendrix. Theresia Lambrechts was de tante van o.a. Maurice Lambrechts, gewezen secretaris van onze gemeente (° 1893 – †1968).

Joseph Vendrikx

 

Vendrickx-Lambrechts

 

Vendrickx Camille

 

In 1917 verkoopt Joseph Vendrikx (organist en gemeenteontvanger) de woning aan Hubertus Alphonsus Cosemans maar deze sterft zeer jong en het huis gaat over naar zijn echtgenote Hubertine Martens.

 

Cosemans

 

Hubertus Cosemans

 

De gemeente koopt in 1957 de woning die in 1959 wordt afgebroken om plaats te maken voor een parkeerruimte voor de ingang van de kerk.

1957Gemeente Alken

 

 

 

 

Tot slot

blad 0805 Hoogdorpstraat

Vroeger

IMG_0359a - kopie

Nu

2015 herzien

De statistieken hulpaapjes van WordPress.com heeft een 2015 jaarlijks rapport voor deze blog voorbereid.

Hier is een fragment:

In een New York City metro-trein passen 1.200 mensen. Deze blog werd in 2015 ongeveer 5.700 keer bekeken. Als je blog een NYC metro-trein zou zijn, zou die ongeveer 5 reizen nodig hebben voordat die zoveel mensen zou kunnen vervoeren.

Klik hier om het complete rapport te bekijken.

Het Kadaster als hulp en ondersteuning voor Genealogie

blad 0750

Inleiding.

Het vele opzoekingswerk van Jos Grosemans – lid van onze Geschiedkundige Kring- bij het Kadaster te Hasselt heeft ons in staat gesteld een terugblik te construeren van wie er (en waar) in Alken leefde bij de Franse revolutie (1796) en ook kort daarna. Dit zoekwerk betekent dan ook een grote hulp voor genealogisch onderzoek en informatie.

Tevens hadden we in onze kring kaarten van Alken met perceelnummers van vóór 1820 (omwille van veiligheid en archivering zijn deze thans overgemaakt aan het Rijksarchief te Hasselt). Daarom hier een voorsmaakje.

De Zwarte Winning.

foto zwarte winning

kaart

 

Even een kort stukje uit het boek (1980) van de geschiedenis van Terkoest geschreven door Florent Punie en Jos Jacobs over de Zwarte Winning in de Molenstraat te Alken. Daarin stellen ze dat tijdens het Hollands Bestuur (1815-1830) de heer Hendrik Pijp, rentenier uit Hasselt de eigenaar was van deze hoeve.

Florent Punie

Nu blijkt uit een huurovereenkomst (pacht) tussen de heer Pijp en pachter Jean Vandebrouck van 1799 dat we mogen stellen dat naar alle waarschijnlijkheid de heer Pijp de koper was van het zwartgoed!

 

blad 0770 Document Alken 1799

Vandebrouck

Joannes Vandebrouck en zijn echtgenote Elisabeth Grosemans hadden 2 gehuwde kinderen.

Zoon Joannes Hendericus vestigt zich in de Vliegstraat. Nakomelingen daarvan zijn b.v. de families :

  • Joseph Theophiel Loix- Raskin in de Grootstraat, ( o.a. Firmin en Remi ).
  • Desiré Loix –Joris in de Stationsstraat, (Albert)
  • Remi Loix-Jans in de Vliegstraat, (o.a Maurice)
  • Edmond Vandebroek in de Vliegstraat
  • Marcelina Vandebroek

Dochter Anna Elisabeth Vandebrouck huwt Andreas Schoeps. Nakomelingen zijn b.v. de families:

  •  Hubert Vesters-Froyen in de Motstraat (o.a. Paul)
  •  Jacobus Moens-Polus op de Steenweg (o.a. Paul)
  •  Eduard Baerts-Melaer in de Vliegstraat (o.a. Valère)

1902 Professor Eduard ASNONG rector in Terkoest

Joannes Eduard Asnong werd geboren op 24 april 1872 in Zolder. Zijn ouders, Arnold Dominicus Asnong en Gertrude Wouters trouwden in Kuringen op 18 oktober 1866.

Op het moment van hun huwelijk was Arnold Dominicus weduwnaar sinds twee jaar. Hij had ook het jongetje uit zijn eerste huwelijk verloren toen het zes maanden oud was. Na dit eerste huwelijk vond Arnold onderdak bij de familie van zijn broer Joseph in de Hardstraat te Kuringen, niet ver van de oude abdij van Herkenrode. De familie Christiaan Wouters, een weduwnaar met zeven overlevende kinderen, waaronder Gertrude, huurde op dat moment de abdijhoeve van Herkenrode. Waarschijnlijk had Arnold Dominique ook werk gevonden op de abdij.
Naamloos-1Naamloos-2

Na hun huwelijk gaat het jonge paar inwonen bij de familie van de bruid in het huis bekend als de portierwoning, juist naast het monumentele poorthuis van de abdij. Aldaar worden de twee oudste zonen geboren. In 1870, verhuist het jonge gezin van Kuringen naar Zolder om zich te vestigen op de hoeve van het kasteel van Vogelsanck. (Heusden-Zolder).

In Zolder worden drie jongens geboren waaronder Eduard, de vierde van de familie. Maar nauwelijks zes maanden na de laatste geboorte wordt de familie beproefd met het overlijden van de vader, dit na een lange ziekte, in de ouderdom van 38 jaar, 5 maanden en 10 dagen.

Kan men zeggen dat de kleine Eduard zijn vader heeft gekend? Hij is dan 2 jaar en half. De moeder, Gertrude Wouters, blijft alleen voor de taak, het onderhoud en opvoeding van de vijf jongens, waarvan de oudste amper 8 jaar oud is wanneer zijn vader overlijdt.  Maar, zij is een vrouw met hart en moed, iets wat men ook van de kinderen mag zeggen. De familie heeft de middelen niet om in Zolder aan de huur te voldoen. Zij verhuist naar Kermt op 9 juni 1876.

Na een periode van twee jaar, in 1878, keert de familie terug naar Zolder als huurster en uitbaatster op de grote boerderij Bolderberg, vroegere eigendom van de abdij van Averbode. Vandaag staat deze boerderij bekend als het domein Bovy. Constant, de oudste zoon van de familie, is dan 12 jaar oud en Eduard is 6 jaar. De hele familie verplicht zich met veel hard werk, ongeacht de jonge leeftijd van de jongens. Om rond te komen, kan de Weduwe Wouters, zoals zij ook bekend is, rekenen op de inzet en steun van knechten en meiden. Het was in Zolder, in de parochie van Viversel, dat de jonge Joannes Eduard beslissingen neemt die hem er toe brengen, waarschijnlijk in 1884, de familie-eenheid te verlaten voor het pad van het seminarie. Viversel of Vijverseel is dan een gehucht van de gemeente Zolder. Het was een zelfstandige parochie onder het oude regime, maar het parochiekerkje werd gedegradeerd tot gewone kapel door het concordaat van 1803-1805. Viversel werd gerestaureerd als een parochie waarschijnlijk in 1842.

Het verblijf van de familie in Zolder zal 12 jaren duren. Op 15 juli 1889, word een notariaal contract opgesteld voor de huur door de Weduwe Wouters van de Elbampd hoeve in Sint-Lambrechts Herk. Op 15 maart 1890, vestigt de familie zich op deze boerderij. De oudste van de jongens is dan 23 jaar. Eduard is  bijna 18 jaar.

In 1892, wordt de student Eduard Asnong aangenomen op het groot-simenarie van Luik. Hij begint er zijn theologische studies, met dracht van soutane en ontvangst van tonsuur. Een jaar later, op 1 september 1893, sterft zijn broer Auguste, 23 jaar oud, aan een hersenvliesontsteking.

Eduard Asnong

 

In 1895 begint Eduard zijn loopbaan als docent aan het Onze-Lieve-Vrouw college in Tongeren. In die tijd en dit tot in 1925, mochten seminaristen die diaken werden, omgeven door een priesterlijke gemeenschap, les geven in de diocesane hogescholen. Op 7 april 1896, word Eduard Asnong priester gewijd in Luik. De volgende dag, draagt hij zijn eerste heilige mis op in de parochiekerk van Sint-Lambrechts Herk. In 1902 wordt priester Eduard Asnong benoemd aan het Atheneum van Hasselt en ter zelfdertijd als rector van Terkoest. Deze twee gelijktijdige benoemingen vereisen enige toelichting.

Terkoest is in 1902 een gehucht van Alken, een verzameling van ongeveer vijftig huizen rond drie heerlijkheden. Reeds in 1900 had de kasteeldame Florence d’Erckenteel een verzoekschrift gericht aan de bisschop van Luik om toestemming te verkrijgen om privé religieuze diensten te mogen houden in haar privé-kapel. Bij de werken om een vleugel toe te voegen aan het kasteel in 1892-1897, had de dame een huiskapel laten installeren op de tweede verdieping van de nieuwe vleugel. Er was genoeg ruimte voor een dertigtal mensen, in aanvulling met een kleine kamer die kon dienen als sacristie en voor biechtgelegenheid. Deze vraag werd positief beantwoord door een pauselijke breve van 26 juni 1902, maar met een aantal beperkingen. Bijstand aan eucharistievieringen op zon- en feestdagen moest worden beperkt tot leden van de familie Claes d’Erckenteel, hun gasten die de nacht van zaterdag op zondag in het kasteel doorbrachten en het personeel dat er inwoonde. Ook bejaarden van meer dan 65 jaar woonachtig binnen een radius van 2 km rond het kasteel werden toegelaten.

De kapel werd ingewijd door de pastoor van Alken, E. H. Adolf Beckers, op 16 augustus 1902. Kort daarna werd de E. H. Joannes Eduard Asnong aangesteld als rector. Deze informatie aangaande Terkoest komt uit de geschiedenis van deze parochie geschreven door Paul Jacobs en Florent Punie, document dat meermaals in deze tekst word aangehaald omtrent de wording van deze parochie.

Kort na het verzoek van Terkoest, had de bisschop van Luik ook een verzoek ontvangen van het Atheneum in Hasselt om een nieuwe godsdienstleraar. Deze taak leek geen sinecure bedenkend dat de laatste godsdienstleraars na korte tijd hun baan verlieten, zo maakte men het hun moeilijk… De bisschop antwoordde goedwillend dat hij een andere leraar zou sturen, maar dit zou de laatste zijn. – aan de studenten om hem te aanvaarden of niet- . Zo werd de E. H. Asnong benoemd tot hoogleraar in Hasselt.

Hij bracht klaarheid in de kwestie bij zijn eerste optreden. Hij exposeerde zijn kleine lijst van de te observeren gedragsregels en nodigde alle studenten die problemen hadden met zulke regels om onmiddellijk zijn klas te verlaten, in plaats van te worden aan de deur gezet bij de eerste overtreding. Het zal niet de enige keer zijn dat hij op deze manier zal handelen. Professor Asnong intimideerde door zijn gestalte, door zijn soutane ook, maar vooral door zijn manier van zijn, openhartig, rechtschapen, hetgeen respect afdwong.

Vanaf september 1902 is hij professor van religie voor alle klassen in het Koninklijk Atheneum van Hasselt en ook aan de Rijksmiddelbare Jongensschool, gehuisvest in hetzelfde gebouw.  In Hasselt, woont hij op nummer 49 van de Luikersteenweg. Het huis werd gebouwd door zijn familie en verhuurd tegen een bescheiden tarief. In 1906, neemt zijn broer Jules de leiding over van de Elbampd boerderij. Zijn moeder komt dan in Hasselt leven bij haar zoon-priester. Zijn moeder vergezellend, verwelkomt hij ook zijn tante Philomena, blind geworden in de leeftijd van 14.

In 1906 worden de beperkingen aangaande de toegang tot de kapel van Terkoest verlengd; het is nu mogelijk om dagelijks te bidden voor het Heilig Sacrament. Rector Asnong, door zijn werk, deelt het leven van de familie Claes d’Erckenteel, Hij doopt hun kinderen en beheert hun eerste communie. Hij speelt ook een leidende rol voor de familie en haar entourage, terwijl achting en vriendschap wederzijdig zijn. Op 26 juni 1912, treurt hij om het overlijden van zijn oom Frans Wouters. Deze was pauselijke zouaaf, en nam deel in 1870 aan de ultieme strijd om Rome.

Claes d'Erckenteel

 

En dan ontketent zich de eerste wereldoorlog. Toch zal het jaar 1914 voor hem worden gekentekend door de dood van zijn moeder, die op 15 augustus, de dag van haar 73ste verjaardag sterft. Zijn tante Philomena overleed op 14 augustus 1926. Rond dit tijdstip polst de bisschop bij mevrouw Claes-d’Erckenteel de mogelijkheid om een kapel de bouwen op het grondgebied van het kasteel en die tevens toegankelijk  zou  zijn voor al de inwoners van dit gehucht veraf gelegen van het centrum van Alken. Deze aanpak sluit aan bij een petitie van 1925 die pastoor Brauns aan de bisschop richtte. Dit project werd gretig aangenomen door mevrouw d’Erckenteel en verwezenlijkt met dezelfde ijver. Een deel van het bestaande gebouw werd herbouwd en met een toegang voorzien tot het doksaal voor de familie van het kasteel en met een tweede toegang via de binnenplaats voor het publiek. Op 18 juli 1927, verklaart de bisschop van Luik deze publieke hulpkapel open voor alle inwoners van het gehucht. De wijding van de kapel door pastoor Brauns vond plaats op 1ste december 1927. Nadat de kasteelkapel openbaar wordt, blijft E. H. Asnong als rector en dit tot 1948.

1931

In 1933 trekt hij zich terug als professor uit de instellingen waar hij onderwees in Hasselt, nl. het Koninklijk Atheneum en ook de Rijksmiddelbare Jongensschool en dit na 31 jaar, met de titel van professor emeritus.

1935

Andere erkenningen zullen hem worden toegekend tijdens zijn leven, met inbegrip van het ereteken van Ridder in de Leopoldorde en het Burgerlijk ereteken 1e klas, en dit in betrekking met zijn professoraat aan het Koninglijk Atheneum van Hasselt. (Beslissing van 15 juli 1922 genomen door het Ministerie Sciences et Arts.)

Deze retraite geeft hem de mogelijkheid zijn inspanningen in Terkoest op te drijven, waar hij iedere dag naar toe gaat, vaak met de fiets of te voet door de paden van weiden en velden. Het kan zich ook vrijer inzetten voor zijn andere activiteiten. Onder andere, zorgde hij voor de voorbereiding van de kinderen voor hun eerste communie en was hij aalmoezenier bij de Dames Ursulinen van Hasselt. Hij nam ook deel aan de culturele activiteiten van de stad. Onder anderen, bezocht hij de schilder Gaston Wallaert, van wie hij schilderijen kocht, zowel als erkenning van een talent als de ondersteuning van een vriend.

Na de oorlog van 1940-’44, werden plannen gemaakt voor de oprichting van een zelfstandige parochie in Terkoest. In deze context verkregen de priesters van Alken betrokken bij het project, samen met de rector Asnong, van mevrouw Claes d’Erckenteel een perceel van 4 ha, voor de toekomstige kerk, pastorie, parochiehuis, scholen, bibliotheek, enz. Voorbereidende werkzaamheden werden uitgevoerd op het land, te beginnen met het kappen van eeuwenoude bomen.

 

Kappen van bomen

De parochie van O. L. Vr. Onbevlekt Ontvangen van Terkoest, met een bevolking van 850 mensen, werd officieel opgericht de 19de juni 1951. Het kerkgebouw zal in 1960 worden voltooid.

 15-05-2015 11-57-31

In 1946 viert de E. H. Asnong zijn 50 jaar priesterschap te midden van de kasteelfamilie van Terkoest, familie aan welke hij in zekere maat toebehoort en in dewelke hij de opeenvolging van de generaties heeft meebeleefd.

1946

Ter gelegenheid van dit gouden priesterjubileum wordt ook de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Altijddurende Bijstand ingehuldigd in de O. L. V. straat, naast de jongensschool. De oprichting van deze kapel had zijn oorzaak bij een belofte van de bevolking deze kapel te bouwen indien Terkoest gespaard zou blijven van alle oorlogsgeweld.

Twee jaar nadien trekt de E. H. Asnong zich terug als rector van Terkoest. Op 28 augustus 1948, word zijn opvolger, E. H. René Philtjens, benoemd als kapelaan verantwoordelijk voor de toekomstige parochie.

Dan, op zondag 3de oktober 1948, organiseert het gehucht Terkoest een feest ter ere van E. H. Asnong, rector gedurende 46 jaar. Om tien uur wordt een plechtige mis opgedragen in het kasteelpark van Claes d’Erckenteel. De mis wordt gecelebreerd door de gevierde rector, bijgestaan door pastoor Deneys van Alken en de nieuwe rector Philtjens. De mis wordt opgeluisterd door het gezang van het koor van het nieuwe gehucht. In zijn homilie schetst Pastoor Deneys een portret van het religieuze leven van Terkoest en, volgens hem, is het vanwege de onophoudelijke ijver van E. H. Asnong dat Terkoest het beste deel is van Alken. Na de hoogmis komt het feest; schoolkinderen zingen hun beste liedjes. Volgen dan de toespraken van de directeur van de school, van de voorzitter van de kerkfabriek, en van de nieuwe rector. De feesteling neemt het woord om afscheid te nemen van zijn geliefde parochianen in wiens midden hij een groot deel van zijn leven doorbracht.

Zijn apostolische ijver wist nooit van stilstand of rust. Dan komt de ernstige ziekte. Hij is blij als hij enigszins herstelt, en de toelating krijgt om de mis op te dragen in eigen huis. Het altaar en de kleine kapel kunnen niet mooi genoeg in de bloemen staan.

De E. H. Eduard Asnong sterft te Hasselt op 2 september 1953. De plechtige lijkdienst, gevolgd van de teraardebestelling, vond plaats in Hasselt in de Sint Quintinuskerk op 5 september 1953. Een plechtige lijkdienst vanwege de Eerwaarde Dames Ursulinen wordt gehouden in dezelfde kerk op 9 september 1953.

Ook vanwege de Kerkfabriek O. L. Vr. Onbevlekt Ontvangen werd een plechtige lijkdienst gevierd in de kapel van Terkoest op 10 september 1953.

De auteurs Paul Jacobs et Florent Punie schrijven over E. H. Eduard Asnong : « Een wijze, vaderlijke en heilige priester die (gedurende 46 jaar) vergroeide met de wording en de bloei van het geestelijke leven in Terkoest.

Door dit decennia lang verblijf alhier werd hij de vertrouwenspersoon die het wel en wee van onze ingezetenen grondig heeft ervaren. In een evolutieperiode gaande van armoede naar betrekkelijke welstand en doorsneden met twee wereldoorlogen.

Niet zo maar rector was hij integendeel een stille sociaal bewogen persoon bezorgd en behulpzaam voor allen die hem om raad verzochten. Met de « Prof. Asnong straat » blijft Alken en bijzonder Terkoest hem dankbaar gedenken. »

Anderen spreken lof over zijn diep geloof, zijn rotsvast vertrouwen, en stille offervaardigheid. Zijn geestdrift voor alles wat edel en verheven is.

 

grafsteen

Bronnen:

 

  • Archieven van het Bisdom Luik, communicatie van Christian Dury en François Meessen, 25 mei 2007
  • Ascendance Antoine Asnong-Virginie Cosemans, Jaak Heeren, 2007
  • Burgerlijke Stand, Sint-Lambrechts Herk
  • Burgerlijke Stand, Heusden-Zolder
  • De familie Asnong, Antoon Koyen, 1983
  • Terkoest, evolutie naar eigen parochie, Paul Jacobs en Florent Punie, 1985
  • Wouters : Een Familiegeschiedenis van Limburg tot Brazilië, Jef Asnong, 2010
  • Z. E. H. Asnong gehuldigd te Alken-Terkoest, Anonym, 3 oktober 1948

 

Jef001

Jef Asnong, 11 maart 2015

Longueuil Quebec

Canada