Archive for the ‘ Markante personen ’ Category

De Geschiedenis van verdwenen woningen in Alken Centrum

Huis Maris

Op de kaart van Alken Centrum omstreeks 1810 op perceel 367 (nr.24) bevond zich een huis dat aanleunde aan de kerkhofmuur pal tegenover café “De Ton” (nr.15) en de boekenhandel “De Bib”. De kadastergegevens vermelden dat het werd bewoond door het gezin Jan Driesen – Deveu.

 

blad 0810 Huizen K1 tem K7 Driesen F 367

 

 

Driesen Peter

 

 

blad 0777

Zicht gezien van het Laagdorp

blad 0915

Richting Motstraat

 

blad 0910

Links huis Maris – rechts nu café “De Ton”.

De dochter Anna Catharina Driesen huwde met Jan Boes (zijn broer Guillaume Boes was de overgrootvader van Eduard Boes, stichter van de brouwerij Cristal Alken). Na de dood van Jan Boes  (+1862) koopt Anna Catharina Driesen nog een stuk grond naast de woning. Hun dochter Aldegondis Boes huwt Joannes Felix Loix die een boerderij uitbaatte waar thans het gemeentehuis is.

 

blad 0850-bis Mappen 223 kj 1864 Folio

 

In 1897,  na de dood van Joannes Felix Loix verkopen de kinderen Loix de woning aan Grégoire Robben uit Luik.

 

blad 0870

blad 0880 kinderen Loix

 

In 1916 erft de dochter Maria Rosalia Robben het huis en verkoopt dit in 1918 aan de familie Maris – Corfs.

blad 0900 Robben Gregoire 1918

 

blad 0920 - Maris

 

 

blad 0940

 

Hun dochter Maria Maris huwt met Alex Vranken, onderwijzer aan de Gemeentelijke jongensschool.

blad 0950 - Carlo Vranken

 

In 1954 verkopen de kinderen Vranken het huis aan de Belgische Staat, waarna het in 1959 wordt gesloopt om de doorgang van de weg te verbreden.

 

blad 0960 verkoop 1954

 

 

 

blad 0980 staatseigendom 1959

 

Hieronder een beeld uit de jaren ’60.

blad 0985

 

Huidige toestand

IMG_0362

 

 

blad 0990

 

Advertenties

De geschiedenis van verdwenen woningen in Alken Centrum

Inleiding

Zoals reeds in het artikel van juni 2015 werd aangehaald is het archief van het kadaster een grote hulp bij opzoekingswerk over personen en goederen. Vandaag gaan we het hebben over de woning van Hubertine Martens die omstreeks 1960 gesloopt werd om plaats te maken voor een parkeerplaats aan de kerk. De oudere ♥ Alkenaren  zullen zich dit huis nog wel herinneren!

 

Hoogdorpstraat richting gemeentehuis

 

Het huis Hubertine Martens

Hubertine Martens werd geboren te Alken op 27 november 1889 en overleed op 31 augustus 1968 te Mol. Zij was gehuwd met Hubert Alfons Cosemans maar werd reeds weduwe op 36-jarige leeftijd. Zij was winkelierster en baatte ook de herberg uit.  Eén van haar broers was onderwijzer Désiré Martens uit de Meerdegatstraat. Zij had ook nog een zuster Marie Theresia, missiezuster in India.

Op onderstaande foto ziet men tussen de kerk en het huis een deel van de huidige pastorie. Achteraan rechts het gemeentehuis en verder “’t Bergske” de bakkerij Castro.

Zicht hoogdorp

 

De tuin achter de woning en daarachter de tuin van de pastorie was afgeboord met een stenen muur zodat het steegje van de Hoogdorpstraat naar de Sint-Aldegondislaan “tussen de stenen muurtjes” werd genoemd.

 

Tussen de stenen muurtjes

 

 

kerk centrum2

Hoogdorp 111

Rechts de woning waarvan sprake

 

Huidige toestand

 

Historiek

Op de kaart van Alken Centrum omstreeks 1822 had de woning het perceelnummer 360, (klik op de kaart en vergroot). Rechts in het blauw met perceelnummer 361 was het toenmalig gemeentehuis.

 

blad 0780

 

Omstreeks 1820 woonde er Laurent Vendrix, klompenmaker en herbergier, overgrootvader van Camille Vendrickx, onderwijzer te Alken en betovergrootvader van Lutgarde Vendrickx –heeft gewerkt op de burgerlijke stand van onze gemeente–  en haar broer Luc Vendrickx, priester en nadien kanunnik en algemeen secretaris van het Bisdom Limburg († Hasselt 1992).

Luc Vendrickx

 

Vendrix

 

Hieronder de gegevens (na 1838) van perceel 360 uit de kadaster-archieven, met vermelding “Weduwe Laurent”.

Vendrickx

 

Samenstelling gezin

VENDRIX Laurent

Klompenmaker, herbergier
= 07‑12‑1783 Alken                               + 03‑08‑1838 Alken
(zoon van VENDRIX Arnold en JANS Elisabeth Catharina)
x     14‑01‑1818 Alken
MOMMEN Maria Joanna
= 04‑04‑1794 Alken                            + 03‑08‑1859 Alken
(dochter van MOMMEN Nicolas en ESSELEN Maria Agathe)

Uit dit huwelijk:

  1. Joannes Arnold

Priester gewijd te Luik op 21 augustus 1842, pater Aloysïus
* 06‑11‑1818 Alken                   + 27‑07‑1893 Sint‑Truiden
= 06‑11‑1818 Alken
(doopgetuigen: Ademus Vendrickx ‑ Maria Mommen)

  1. Joannes Nicolaes

* 09‑11‑1820 Alken                   + 09‑09‑1821 Alken
= 09‑11‑1820 Alken
(doopgetuigen: Nicolaus Mommen ‑ Gertrudis Vendrix)

  1. Louis

Pater Aloïsius
* 02‑08‑1822 Alken                   + 03‑03‑1893 Hasselt
= 03‑08‑1822 Alken
(doopgetuigen: Arnoldus Vendrikx ‑ Maria Ida Mommen)

  1. Maria Joseph

Ongehuwd, winkelierster
* 02‑06‑1824 Alken                   + 13‑02‑1890 Alken
= 02‑06‑1824 Alken
(doopgetuigen: Petrus Joannes Vendrikx ‑ Anna Maria Josepha Mommen)

  1. Anna Elisabeth

Religieuze te Gent
* 04‑09‑1826 Alken                   + 22‑07‑1909 Gent
= 05‑09‑1826 Alken                   ∩ 24‑07‑1909 Gent
(doopgetuigen: Nicolaus Vendrikx ‑ Maria Elisabeth Mommen)

  1. Maria Agatha

Ongehuwd
* 04‑12‑1828 Alken                   + 26‑09‑1881 Alken
= 04‑12‑1828 Alken
(doopgetuigen: Joannes Nicolaus Mommen ‑ Anna Gertrudis Vendrikx)

  1. kind zonder leven

* 02‑02‑1831 Alken                   + 02‑02‑1831 Alken

  1. Maria Catharina

Kloosterlinge
* 01‑01‑1832 Alken                   + 13‑02‑1909 Luik
= 08‑01‑1832 Alken
(doopgetuigen: Guilielmus Noelanders ‑ Anna Maria Thoelen)

  1. Henricus Amandus

Bakker
* 16‑02‑1834 Alken                   + 09‑12‑1918 Alken
= 16‑02‑1834 Alken                   ∩ 12‑12‑1918 Alken
(doopgetuigen: Joannes Vendrickx ‑ Anna Maria Billen)
x 19‑02‑1862 Alken met BECKERS Maria Ludovica Alphonsia
(dochter van BECKERS Louis en ISTAZ Anne Catherine)

  1. Felix Antonius

* 02‑01‑1836 Alken
= 02‑01‑1836 Alken
(doopgetuigen: Ludovicus Vendrix ‑ Josepha Vendrickx)

  1. Petrus Hubertus

Ongehuwd, schatbewaarder van de kerkfabriek, winkelier
* 22‑12‑1838 Alken                   + 07‑05‑1913 Alken
= 22‑12‑1838 Alken                   ∩ 15‑05‑1913 Alken
(doopgetuigen: Arnoldus Hayen pro Petro Mommen ‑ Maria Oda Briers)
Het gezin Laurent Vendrix-Mommen had dus 11 kinderen,  waaronder 4 kloosterlingen. Spijtig genoeg ontbreekt het bidprentje van Maria Catharina Vendrickx kloosterlinge, overleden in 1909 te Luik.

 

Vendrickx007_01

 

 

 

 

 

 

 

 

Vendrickx007_03Vendrickx009-01

 

Om toch even in de sfeer van bidprentjes en kloosterlingen te blijven kan ik ook nog dit vermelden: de vrouw van Laurent Vendrix –Maria Joanna Mommen– had een broer Petrus Mommen.

 

Mommen-55006pro-genVendrickx009-03

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Na de dood van Maria Joanna Mommen in 1859 werd de winkel uitgebaat door Petrus Hubertus Vendrickx en zijn zus Maria Josephina tot bij haar dood in 1892.

kinderen Laurent

Bij de dood van Petrus Hubertus Vendrickx in 1913 komt het huis in bezit van de familie Joseph Vendrikx – Theresia Lambrechts. Joseph was de kleinzoon van Laurent Vendrix. Theresia Lambrechts was de tante van o.a. Maurice Lambrechts, gewezen secretaris van onze gemeente (° 1893 – †1968).

Joseph Vendrikx

 

Vendrickx-Lambrechts

 

Vendrickx Camille

 

In 1917 verkoopt Joseph Vendrikx (organist en gemeenteontvanger) de woning aan Hubertus Alphonsus Cosemans maar deze sterft zeer jong en het huis gaat over naar zijn echtgenote Hubertine Martens.

 

Cosemans

 

Hubertus Cosemans

 

De gemeente koopt in 1957 de woning die in 1959 wordt afgebroken om plaats te maken voor een parkeerruimte voor de ingang van de kerk.

1957Gemeente Alken

 

 

 

 

Tot slot

blad 0805 Hoogdorpstraat

Vroeger

IMG_0359a - kopie

Nu

1902 Professor Eduard ASNONG rector in Terkoest

Joannes Eduard Asnong werd geboren op 24 april 1872 in Zolder. Zijn ouders, Arnold Dominicus Asnong en Gertrude Wouters trouwden in Kuringen op 18 oktober 1866.

Op het moment van hun huwelijk was Arnold Dominicus weduwnaar sinds twee jaar. Hij had ook het jongetje uit zijn eerste huwelijk verloren toen het zes maanden oud was. Na dit eerste huwelijk vond Arnold onderdak bij de familie van zijn broer Joseph in de Hardstraat te Kuringen, niet ver van de oude abdij van Herkenrode. De familie Christiaan Wouters, een weduwnaar met zeven overlevende kinderen, waaronder Gertrude, huurde op dat moment de abdijhoeve van Herkenrode. Waarschijnlijk had Arnold Dominique ook werk gevonden op de abdij.
Naamloos-1Naamloos-2

Na hun huwelijk gaat het jonge paar inwonen bij de familie van de bruid in het huis bekend als de portierwoning, juist naast het monumentele poorthuis van de abdij. Aldaar worden de twee oudste zonen geboren. In 1870, verhuist het jonge gezin van Kuringen naar Zolder om zich te vestigen op de hoeve van het kasteel van Vogelsanck. (Heusden-Zolder).

In Zolder worden drie jongens geboren waaronder Eduard, de vierde van de familie. Maar nauwelijks zes maanden na de laatste geboorte wordt de familie beproefd met het overlijden van de vader, dit na een lange ziekte, in de ouderdom van 38 jaar, 5 maanden en 10 dagen.

Kan men zeggen dat de kleine Eduard zijn vader heeft gekend? Hij is dan 2 jaar en half. De moeder, Gertrude Wouters, blijft alleen voor de taak, het onderhoud en opvoeding van de vijf jongens, waarvan de oudste amper 8 jaar oud is wanneer zijn vader overlijdt.  Maar, zij is een vrouw met hart en moed, iets wat men ook van de kinderen mag zeggen. De familie heeft de middelen niet om in Zolder aan de huur te voldoen. Zij verhuist naar Kermt op 9 juni 1876.

Na een periode van twee jaar, in 1878, keert de familie terug naar Zolder als huurster en uitbaatster op de grote boerderij Bolderberg, vroegere eigendom van de abdij van Averbode. Vandaag staat deze boerderij bekend als het domein Bovy. Constant, de oudste zoon van de familie, is dan 12 jaar oud en Eduard is 6 jaar. De hele familie verplicht zich met veel hard werk, ongeacht de jonge leeftijd van de jongens. Om rond te komen, kan de Weduwe Wouters, zoals zij ook bekend is, rekenen op de inzet en steun van knechten en meiden. Het was in Zolder, in de parochie van Viversel, dat de jonge Joannes Eduard beslissingen neemt die hem er toe brengen, waarschijnlijk in 1884, de familie-eenheid te verlaten voor het pad van het seminarie. Viversel of Vijverseel is dan een gehucht van de gemeente Zolder. Het was een zelfstandige parochie onder het oude regime, maar het parochiekerkje werd gedegradeerd tot gewone kapel door het concordaat van 1803-1805. Viversel werd gerestaureerd als een parochie waarschijnlijk in 1842.

Het verblijf van de familie in Zolder zal 12 jaren duren. Op 15 juli 1889, word een notariaal contract opgesteld voor de huur door de Weduwe Wouters van de Elbampd hoeve in Sint-Lambrechts Herk. Op 15 maart 1890, vestigt de familie zich op deze boerderij. De oudste van de jongens is dan 23 jaar. Eduard is  bijna 18 jaar.

In 1892, wordt de student Eduard Asnong aangenomen op het groot-simenarie van Luik. Hij begint er zijn theologische studies, met dracht van soutane en ontvangst van tonsuur. Een jaar later, op 1 september 1893, sterft zijn broer Auguste, 23 jaar oud, aan een hersenvliesontsteking.

Eduard Asnong

 

In 1895 begint Eduard zijn loopbaan als docent aan het Onze-Lieve-Vrouw college in Tongeren. In die tijd en dit tot in 1925, mochten seminaristen die diaken werden, omgeven door een priesterlijke gemeenschap, les geven in de diocesane hogescholen. Op 7 april 1896, word Eduard Asnong priester gewijd in Luik. De volgende dag, draagt hij zijn eerste heilige mis op in de parochiekerk van Sint-Lambrechts Herk. In 1902 wordt priester Eduard Asnong benoemd aan het Atheneum van Hasselt en ter zelfdertijd als rector van Terkoest. Deze twee gelijktijdige benoemingen vereisen enige toelichting.

Terkoest is in 1902 een gehucht van Alken, een verzameling van ongeveer vijftig huizen rond drie heerlijkheden. Reeds in 1900 had de kasteeldame Florence d’Erckenteel een verzoekschrift gericht aan de bisschop van Luik om toestemming te verkrijgen om privé religieuze diensten te mogen houden in haar privé-kapel. Bij de werken om een vleugel toe te voegen aan het kasteel in 1892-1897, had de dame een huiskapel laten installeren op de tweede verdieping van de nieuwe vleugel. Er was genoeg ruimte voor een dertigtal mensen, in aanvulling met een kleine kamer die kon dienen als sacristie en voor biechtgelegenheid. Deze vraag werd positief beantwoord door een pauselijke breve van 26 juni 1902, maar met een aantal beperkingen. Bijstand aan eucharistievieringen op zon- en feestdagen moest worden beperkt tot leden van de familie Claes d’Erckenteel, hun gasten die de nacht van zaterdag op zondag in het kasteel doorbrachten en het personeel dat er inwoonde. Ook bejaarden van meer dan 65 jaar woonachtig binnen een radius van 2 km rond het kasteel werden toegelaten.

De kapel werd ingewijd door de pastoor van Alken, E. H. Adolf Beckers, op 16 augustus 1902. Kort daarna werd de E. H. Joannes Eduard Asnong aangesteld als rector. Deze informatie aangaande Terkoest komt uit de geschiedenis van deze parochie geschreven door Paul Jacobs en Florent Punie, document dat meermaals in deze tekst word aangehaald omtrent de wording van deze parochie.

Kort na het verzoek van Terkoest, had de bisschop van Luik ook een verzoek ontvangen van het Atheneum in Hasselt om een nieuwe godsdienstleraar. Deze taak leek geen sinecure bedenkend dat de laatste godsdienstleraars na korte tijd hun baan verlieten, zo maakte men het hun moeilijk… De bisschop antwoordde goedwillend dat hij een andere leraar zou sturen, maar dit zou de laatste zijn. – aan de studenten om hem te aanvaarden of niet- . Zo werd de E. H. Asnong benoemd tot hoogleraar in Hasselt.

Hij bracht klaarheid in de kwestie bij zijn eerste optreden. Hij exposeerde zijn kleine lijst van de te observeren gedragsregels en nodigde alle studenten die problemen hadden met zulke regels om onmiddellijk zijn klas te verlaten, in plaats van te worden aan de deur gezet bij de eerste overtreding. Het zal niet de enige keer zijn dat hij op deze manier zal handelen. Professor Asnong intimideerde door zijn gestalte, door zijn soutane ook, maar vooral door zijn manier van zijn, openhartig, rechtschapen, hetgeen respect afdwong.

Vanaf september 1902 is hij professor van religie voor alle klassen in het Koninklijk Atheneum van Hasselt en ook aan de Rijksmiddelbare Jongensschool, gehuisvest in hetzelfde gebouw.  In Hasselt, woont hij op nummer 49 van de Luikersteenweg. Het huis werd gebouwd door zijn familie en verhuurd tegen een bescheiden tarief. In 1906, neemt zijn broer Jules de leiding over van de Elbampd boerderij. Zijn moeder komt dan in Hasselt leven bij haar zoon-priester. Zijn moeder vergezellend, verwelkomt hij ook zijn tante Philomena, blind geworden in de leeftijd van 14.

In 1906 worden de beperkingen aangaande de toegang tot de kapel van Terkoest verlengd; het is nu mogelijk om dagelijks te bidden voor het Heilig Sacrament. Rector Asnong, door zijn werk, deelt het leven van de familie Claes d’Erckenteel, Hij doopt hun kinderen en beheert hun eerste communie. Hij speelt ook een leidende rol voor de familie en haar entourage, terwijl achting en vriendschap wederzijdig zijn. Op 26 juni 1912, treurt hij om het overlijden van zijn oom Frans Wouters. Deze was pauselijke zouaaf, en nam deel in 1870 aan de ultieme strijd om Rome.

Claes d'Erckenteel

 

En dan ontketent zich de eerste wereldoorlog. Toch zal het jaar 1914 voor hem worden gekentekend door de dood van zijn moeder, die op 15 augustus, de dag van haar 73ste verjaardag sterft. Zijn tante Philomena overleed op 14 augustus 1926. Rond dit tijdstip polst de bisschop bij mevrouw Claes-d’Erckenteel de mogelijkheid om een kapel de bouwen op het grondgebied van het kasteel en die tevens toegankelijk  zou  zijn voor al de inwoners van dit gehucht veraf gelegen van het centrum van Alken. Deze aanpak sluit aan bij een petitie van 1925 die pastoor Brauns aan de bisschop richtte. Dit project werd gretig aangenomen door mevrouw d’Erckenteel en verwezenlijkt met dezelfde ijver. Een deel van het bestaande gebouw werd herbouwd en met een toegang voorzien tot het doksaal voor de familie van het kasteel en met een tweede toegang via de binnenplaats voor het publiek. Op 18 juli 1927, verklaart de bisschop van Luik deze publieke hulpkapel open voor alle inwoners van het gehucht. De wijding van de kapel door pastoor Brauns vond plaats op 1ste december 1927. Nadat de kasteelkapel openbaar wordt, blijft E. H. Asnong als rector en dit tot 1948.

1931

In 1933 trekt hij zich terug als professor uit de instellingen waar hij onderwees in Hasselt, nl. het Koninklijk Atheneum en ook de Rijksmiddelbare Jongensschool en dit na 31 jaar, met de titel van professor emeritus.

1935

Andere erkenningen zullen hem worden toegekend tijdens zijn leven, met inbegrip van het ereteken van Ridder in de Leopoldorde en het Burgerlijk ereteken 1e klas, en dit in betrekking met zijn professoraat aan het Koninglijk Atheneum van Hasselt. (Beslissing van 15 juli 1922 genomen door het Ministerie Sciences et Arts.)

Deze retraite geeft hem de mogelijkheid zijn inspanningen in Terkoest op te drijven, waar hij iedere dag naar toe gaat, vaak met de fiets of te voet door de paden van weiden en velden. Het kan zich ook vrijer inzetten voor zijn andere activiteiten. Onder andere, zorgde hij voor de voorbereiding van de kinderen voor hun eerste communie en was hij aalmoezenier bij de Dames Ursulinen van Hasselt. Hij nam ook deel aan de culturele activiteiten van de stad. Onder anderen, bezocht hij de schilder Gaston Wallaert, van wie hij schilderijen kocht, zowel als erkenning van een talent als de ondersteuning van een vriend.

Na de oorlog van 1940-’44, werden plannen gemaakt voor de oprichting van een zelfstandige parochie in Terkoest. In deze context verkregen de priesters van Alken betrokken bij het project, samen met de rector Asnong, van mevrouw Claes d’Erckenteel een perceel van 4 ha, voor de toekomstige kerk, pastorie, parochiehuis, scholen, bibliotheek, enz. Voorbereidende werkzaamheden werden uitgevoerd op het land, te beginnen met het kappen van eeuwenoude bomen.

 

Kappen van bomen

De parochie van O. L. Vr. Onbevlekt Ontvangen van Terkoest, met een bevolking van 850 mensen, werd officieel opgericht de 19de juni 1951. Het kerkgebouw zal in 1960 worden voltooid.

 15-05-2015 11-57-31

In 1946 viert de E. H. Asnong zijn 50 jaar priesterschap te midden van de kasteelfamilie van Terkoest, familie aan welke hij in zekere maat toebehoort en in dewelke hij de opeenvolging van de generaties heeft meebeleefd.

1946

Ter gelegenheid van dit gouden priesterjubileum wordt ook de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Altijddurende Bijstand ingehuldigd in de O. L. V. straat, naast de jongensschool. De oprichting van deze kapel had zijn oorzaak bij een belofte van de bevolking deze kapel te bouwen indien Terkoest gespaard zou blijven van alle oorlogsgeweld.

Twee jaar nadien trekt de E. H. Asnong zich terug als rector van Terkoest. Op 28 augustus 1948, word zijn opvolger, E. H. René Philtjens, benoemd als kapelaan verantwoordelijk voor de toekomstige parochie.

Dan, op zondag 3de oktober 1948, organiseert het gehucht Terkoest een feest ter ere van E. H. Asnong, rector gedurende 46 jaar. Om tien uur wordt een plechtige mis opgedragen in het kasteelpark van Claes d’Erckenteel. De mis wordt gecelebreerd door de gevierde rector, bijgestaan door pastoor Deneys van Alken en de nieuwe rector Philtjens. De mis wordt opgeluisterd door het gezang van het koor van het nieuwe gehucht. In zijn homilie schetst Pastoor Deneys een portret van het religieuze leven van Terkoest en, volgens hem, is het vanwege de onophoudelijke ijver van E. H. Asnong dat Terkoest het beste deel is van Alken. Na de hoogmis komt het feest; schoolkinderen zingen hun beste liedjes. Volgen dan de toespraken van de directeur van de school, van de voorzitter van de kerkfabriek, en van de nieuwe rector. De feesteling neemt het woord om afscheid te nemen van zijn geliefde parochianen in wiens midden hij een groot deel van zijn leven doorbracht.

Zijn apostolische ijver wist nooit van stilstand of rust. Dan komt de ernstige ziekte. Hij is blij als hij enigszins herstelt, en de toelating krijgt om de mis op te dragen in eigen huis. Het altaar en de kleine kapel kunnen niet mooi genoeg in de bloemen staan.

De E. H. Eduard Asnong sterft te Hasselt op 2 september 1953. De plechtige lijkdienst, gevolgd van de teraardebestelling, vond plaats in Hasselt in de Sint Quintinuskerk op 5 september 1953. Een plechtige lijkdienst vanwege de Eerwaarde Dames Ursulinen wordt gehouden in dezelfde kerk op 9 september 1953.

Ook vanwege de Kerkfabriek O. L. Vr. Onbevlekt Ontvangen werd een plechtige lijkdienst gevierd in de kapel van Terkoest op 10 september 1953.

De auteurs Paul Jacobs et Florent Punie schrijven over E. H. Eduard Asnong : « Een wijze, vaderlijke en heilige priester die (gedurende 46 jaar) vergroeide met de wording en de bloei van het geestelijke leven in Terkoest.

Door dit decennia lang verblijf alhier werd hij de vertrouwenspersoon die het wel en wee van onze ingezetenen grondig heeft ervaren. In een evolutieperiode gaande van armoede naar betrekkelijke welstand en doorsneden met twee wereldoorlogen.

Niet zo maar rector was hij integendeel een stille sociaal bewogen persoon bezorgd en behulpzaam voor allen die hem om raad verzochten. Met de « Prof. Asnong straat » blijft Alken en bijzonder Terkoest hem dankbaar gedenken. »

Anderen spreken lof over zijn diep geloof, zijn rotsvast vertrouwen, en stille offervaardigheid. Zijn geestdrift voor alles wat edel en verheven is.

 

grafsteen

Bronnen:

 

  • Archieven van het Bisdom Luik, communicatie van Christian Dury en François Meessen, 25 mei 2007
  • Ascendance Antoine Asnong-Virginie Cosemans, Jaak Heeren, 2007
  • Burgerlijke Stand, Sint-Lambrechts Herk
  • Burgerlijke Stand, Heusden-Zolder
  • De familie Asnong, Antoon Koyen, 1983
  • Terkoest, evolutie naar eigen parochie, Paul Jacobs en Florent Punie, 1985
  • Wouters : Een Familiegeschiedenis van Limburg tot Brazilië, Jef Asnong, 2010
  • Z. E. H. Asnong gehuldigd te Alken-Terkoest, Anonym, 3 oktober 1948

 

Jef001

Jef Asnong, 11 maart 2015

Longueuil Quebec

Canada

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tentoonstelling “Het dagelijks leven te ALKEN tijdens WO I”

Om de teksten te kunnen lezen is het best het zoomniveau van uw scherm in te stellen op 200% of meer zeker voor de bidprentjes enz. zie onderaan rechts van uw scherm!

Zoomniveau

De tentoonstelling is zo goed mogelijk chronologisch opgebouwd. Deze was te bezichtigen in de zaal Alkarte van 25 maart tot 6 april 2014 en verwezenlijkt door de Erfgoedraad Alken in samenwerking met het Davidsfonds Alken.

L1090211

L1090203

001-voorde-inval-01

002-inval gemeenteplan_metkaart

003-Burgers

004-Burgers

005-Burgers

006-Burgers

007-Uhlanen

008-Uhlanen

009-Uhlanen

019-Gesneuvelden

021-Ballet-Berden

022-Colmonts-Cosemans

023-Libens-Penxten

024-Martens-Mellemans

025-Mellemans-Neven

026-Philippaerts-Putseys

027-Raymaekers - Smets

028-Sauwens- Sauwens

029-Vaes - Vandercappellen

030-Vierendeel-Wynants

020-Gelade

031-Alkenaren1

032-Penxten-1

034-Liebens-Croes

035-Decoratie

036-Cleeren

037 krijgsgevangenen

010-zusters

011-noodcommissie

012-Vluchtelingen-Leke

013-klassen schoolsoep

014-Moulckers

015-ausweis

016-Bieten-Molens

017-paarden-wissen-broodsmeer

018-bomen-boter-bromberen

038-Bevrijdingsstoet

039-Rede

040-1964-bis

Leon Mellemans: ” Een echte butler spreekt niet met zijn meesters ” Deel II

Humo: Hoe spraken ze U aan?
Leon:
Ze spraken mij aan met “Leon” en als ze iets vroegen was het in het Frans. Ik heb daar nooit één woord Vlaams gehoord. Het personeel was Vlaams. Franstalig personeel bestond niet, het waren altijd Vlaamse mensen. Ik sprak de mevrouw ook niet zomaar aan, ik sprak ze aan in de derde persoon. Ik zei niet: “Als u het wil”, ik zei “Als mevrouw het wil”. Als mevrouw zei, “Leon, ik wil een glas water”, dan haalde ik dat gewoon en zei niets. Bij de adel zeg je ook nooit “astublief” of “dank u”. Je hebt gewoon niks te zeggen. Er is geen conversatie tussen beide. Er werd niet over het weer gesproken, of over mijn familie, of over het dorp, niks.
’s Morgens zei ze “Bonjour Leon” en ik antwoordde “bonjour madame la Comtesse”, ’s Avonds: “bonnne nuit” en daarmee was de conversatie afgelopen.

Humo: Als u zag dat ze verdriet had of het moeilijk had, mocht U dan niets zeggen?
Leon:
Nee, absoluut niets. Dat zou een affront geweest zijn, je bent personeel, je bent sujet. Ik heb me altijd goed kunnen beheersen. Met de tijd word je onbewogen, je traint je gezicht daarop. In de film zie je soms van die butlers bezig. Meestal hebben ze er wel het postuur voor, maar ze doen dingen die niet mogen! Ze zijn veel te intiem met hun meesters, ze spreken met hen, dat is normaal uitgesloten. Dat is natuurlijk film, dat is niet echt. Op een keer stond ik zilver te poetsen in mijn office en ik floot een liedje. De gravin kwam normaal nooit in mijn werkkamer, maar ze had het gehoord, ze deed de deur open en zei: “fluiten past hier niet. Laat dat over aan de mensen van de straat”. In het kasteel was het zo stil als in een kerk. Soms at mevrouw alleen. Dan moest ik ook bij haar blijven staan. Vlak achter haar stoel. Het enige geluid was het geluid van vork en mes op het bord. Ik moest dan zeker geen gezichten trekken achter haar rug, want ze zag mij wel twintig keer in de spiegels van de eetkamer.

Humo: Voelde U zich niet eenzaam”? Nooit een babbel, altijd maar werken?
Leon:
Dat word je allemaal gewoon. Je had zelfs geen tijd om met het ander personeel te babbelen. Ieder had zijn job en ieder zit apart. De bovenmeid zat boven, de keukenmeid beneden en ik zat in mijn office. Je moest je werk doen en daarmee uit. Gebeurtenissen in het dorp? Dat raakte ons niet, want wij woonden niet in het dorp, wij woonden op het kasteel!

Humo: Stond u als butler een beetje boven het andere personeel?
Leon:
Ik had geen personeel onder mij, ik was onafhankelijk en had met anderen niks te maken.

Humo: Gingen uw meesters wel eens op reis?
Leon:
Nee, ze gingen nooit weg. Die zaten thuis, dat was hun leven. In de winter trok de familie naar hun huis in Brussel. Dan werd het kasteel gesloten. In Brussel hadden ze geen huiskapel zoals in Bazel en dus kwam er een priester mis lezen in het salon. Ik moest de mis dienen. En ik moest voor haar bidden ook, want ik was nog gezond en zij had slechte benen. Volgens haar telde die mis dan ook niet voor mijn zondagplicht, dus ging ik nog eens voor een tweede keer naar de kerk.

Humo: Waren Kerstmis en Nieuwjaar speciale dagen?
Leon:
Voor hen niet. Het waren dagen als alle andere, ’t was toch altijd feest bij hen. Tussen zondag en werkdag was zelfs geen verschil. Dat was zo, die mensen deden niets. Die lazen de krant of een boek of telefoneerden. Ik heb ze nooit zien werken. Ze hadden de tijd en ze namen hun tijd. Aan tafel vroeg haar dochter soms of ze een stukje appel moest hebben en dan zei ze : “donnez-moi un petit du quart du quart”. Een kwart van een kwartje. En dan duurde het nog twintig minuten voor het op was.

Humo: Hadden die mensen zelf geen verstand van huishouden? Konden ze niet zonder jullie?
Leon:
Deze mensen waren niet dom of onhandig, maar waarom zouden ze ’t zelf doen als ze ’t door een ander konden laten doen. Zij hadden het geld en zij gaven het uit: zij lieten het personeel leven. Als ze wilden konden ze zelf hun plan trekken, maar waarom zouden ze? Het personeel kostte zo goed als niks in die tijd. Mij betaalden ze 450 BF per maand. De meiden kregen 200 BF, de keukenmeid 400 BF. Een pint kostte toen één frank.

Humo: Mocht het personeel trouwen?
Leon:
Dat mocht, maar kwamen er kinderen, dan zat de dienst er op, dan kon je gaan. Want je kon je kinderen toch niet in het kasteel halen. Je had immers geen huis, waar zou je ze dan naartoe brengen? Ze vreesden ook dat je meer tijd in je eigen kinderen zou steken dan in hun welzijn.

Humo: Waren de kasteelbewoners zuinig? Gierig?
Leon:
De oude mevrouw was zuinig, die deed geen nutteloze uitgaven. Maar ze leefden toch goed, er was altijd veel en lekker eten. Ook voor het personeel. ’t Was een goeie familie en ze hebben ook veel goeie werken gedaan voor de parochie en voorral voor de katholieke scholen. De ongetrouwde zuster van de oude graaf, juffrouw Clotilde Vilain XIV, heeft heel veel geld in de scholen gestoken. Als zij in een klas binnenkwam, moesten alle kinderen opstaan en zeggen: “Geloofd zij Jezus Christus! Leve jufrouw Clotilde!”. Zij onderhield die school , zij betaalde de jurkjes van de communicanten die het thuis niet breed hadden. Iedereen is wel gevaren met de familie. De voetbalploeg heeft zijn voetbalplein cadeau gekregen en voor de kerk hebben ze ook veel gedaan. Daar hebben ze nu nog een eigen tribune en een eigen grafkapel. Heel de streek behoorde tot vlak na de oorlog aan de familie, wel 900 ha denk ik Alles wat tussen Kruibeke, Rupelmonde en Schelde lag, was van hen. En dan hadden ze nog gronden in het buitenland. Je mag van de adel zeggen wat je wil, er zijn er overal goei en slechte; maar dit was een goeie familie. Je hebt mensen die er niks aan kunnen doen dat ze rijk zijn, maar dat zijn daarom nog geen uitbuiters.

Humo: Hebt U heimwee naar die tijd?
Leon:
Nee, dat niet. De familie hield van mij, ze hadden mij graag, maar ik had alleen maar mijn werk, voor de rest bezat ik niets. Ik had geen huis, ik had geen gezin, niks. Toen ik later op de fabriek ben gaan werken, kreeg ik een loon en kon ik grond kopen, een huis bouwen en heb zeven kinderen grootgebracht en laten studeren. Dat heb je dan toch zelf in handen. Mijn butlertijd was een fantastische tijd, maar ik kon dat niet blijven doen. ’t Was of een gezin opbouwen, of alleen op het kasteel blijven.
Bij Vilain XIIII ben ik tot 1938 gebleven. Met mijn vrouw -die bovenmeid was- heb ik nog gediend tot na de Tweede Wereldoorlog. Toen begon de slechte tijd en ben ik op een aluminiumfabriek gaan werken. Dat was een groot verschil, dat was een heel pijnlijke verandering voor mij. Maar ’t is ook een levensschool geweest: ik heb bij rijk volk gewerkt en ik heb met schoelies omgegaan. Ik heb het allemaal meegemaakt.
In 1935 was er een groot feest. Graaf Jean deed zijn eerste communie. Er zat eenentwintig man aan tafel, ik zal het nooit vergeten. Als er wat volk was, kon je alle tafels uitrekken. Voor elke tafel hing in een rek in de keuken een genummerd verlengstuk. Als voorgerecht was er gepocheerd ei op een tartelette en 21 voorgerechten lagen allemaal op één schotel. Ik moest dus iedereen in de juiste volgorde bedienen: een gravin hier, een graaf daar, een barones hier, een baron daar. Dat was een heen en weer geloop, 21 keer van en naar de tafel, want je mocht de pas gebruikte borden zomaar niet op elkaar stapelen. Elk bord werd afzonderlijk opgehaald en door een schoon vervangen. Dat was de haut service, dat doen ze nu niet meer, de mensen kennen dat niet meer. Je bediende ook niet, nee, jij hield de schotel voor en zij namen wat ze wilden hebben. Dat is chic! Op dat communiefeest werd ook -en dat heb ik maar één keer meegemaakt- massief gouden bestek gebruikt. Al dat goud lag in de goudkamer, samen met nog andere juwelen en edelsmeedwerk. Toen ik het bestek ging halen en toen ik het ter plaatse afwaste, stond de gravin de hele tijd naast mij. Goud in het kasteel en aluminium in de fabriek, rijk en arm, ik heb het allemaal gezien. Ik heb het allemaal meegemaakt!

Tot daar het verhaal van Leon Mellemans als butler bij de graaf Vilain XIIII op het kasteel Wissekerke in Bazel.

Bronnen
Weekblad HUMO Jan Hertoghs.
Het Belang van Limburg (foto Karel Hemerijck).

Leon Mellemans: ” Een echte butler spreekt niet met zijn meesters ” deel I

Dit artikel gaat over het wel en wee van Alkenaar Leon Mellemans als butler op een kasteel. Vooreerst iets over Leon Mellemans. Leon werd geboren te Alken op 9 februari 1910 in een gezin van 13 kinderen . Zijn ouders waren Henricus Mellemans en Maria Josephine Prinsen. Leon stierf in Bazel (Kruibeke) op 30 oktober 1989.

Leon Mellemans001

Een broer van hem was Jules Mellemans, bekend in Alken en omstreken als varkensslachter, maar ook als ex-gemeenteraardslid. Jules werd 100 jaar.
Jules Mellemans

Leo Mellemans

De butler die wij nu ten tonele voeren komt niet uit de vorige eeuw, noch uit een stuiversroman of een pocket van P.G. Wodehouse. Leon Mellemans diende 12 jaar van zijn leven “bij rijk volk”: van 1933-1945. Drie jaar was hij butler bij de familie Vilain XIIII op het kasteel Wissekerke te Bazel (Waasland).
Het bezit van deze voorname familie brokkelde af na de Tweede Wereldoorlog. De oude butler leidt ons fier door vestibule en salon alsof het grootste gisteren nog vandaag was. Hij wijst waar de dubbele canapé met het bronzen ruiterstandbeeld stond, toont de blauwe steen naast de trap waar een tunnel kilometers ver naar Rupelmonde leidt, draait rond de klok die de schrijnwerker – en hij alleen – eens per week mocht opwinden, dan daalt hij af naar de wildkamer waar gejaagde hazen afstierven op een kouwe steen en geschoten sneppen “rijp” werden met de snavel in een lege fles. Terloops groeten we het portret van de ouwe graaf , Stanislas, “al 100 jaar dood”, en met hem in het graf een nooit gestemd wetsvoorstel: de doodstraf voor dorpelingen die een konijn schoten. Dat waren tijden. Ieder kent zijn plaats. Nu zijn wij het die de deur van de wagen openhouden voor de butler.

kasteel Wissekerke001

Interview uit het weekblad Humo met de heer Mellemans:
Leon:
Bij de familie Vilain XIIII ben ik beginnen werken op Pinstermaandag 1934. Op het kasteel woonden toen vier mensen. Je had de oude gravin Vilain XIIII, geboren Joséphine de Brouchoven de Bergeyck. Haar man was gestorven. Dan had je graaf Charles, haar gehandicapte zoon, die was burgemeester in Bazel. Haar dochter Marguerite woonde er ook, ze was getrouwd met de graaf de Meeûs. Die graaf was voorzitter van de Caisse Privée in Brussel, maar hij was altijd op jacht of op wandel in het park.
Ik heb die betrekking gevonden via een placeuse in Kortenbos. Zo’n vrouw trad op als tussenpersoon tussen het huispersoneel en de noblesse. In Brussel had je meerdere placeuses. Ik woonde in Alken en omdat er in Limburg maar één placeuse was, kwam ik bij haar terecht. Ik vertelde haar dat ik al wat ervaring had met “tafeldienst”: van 1931 tot 1933 had ik op het Sint-Michielscollege in Brasschaat gewerkt. Ik was daar portier, coiffeur van de internen en tafeldienaar bij grote gelegenheden. Ik had dus geleerd om mensen te ontvangen.
Bij mijn aankomst op het kasteel kreeg ik een uur- en weekrooster. Op maandag maakte ik de salle à manger schoon, dinsdag de fumoir (de rookkamer), woensdag de vestibule, donderdags het groot salon, vrijdags het zilverwerk en zaterdags de vensters. Ik had geen dag vrijaf, ook ’s zondags niet.
Het uurrooster van een dag zag er zo uit: opstaan om halfzeven en de luiken openen. Tafel dekken, onder andere brood roosteren voor de graaf en de sneetjes in een zilveren rekje zetten. Op de tafel stond een soort ontbijtmolen, met kaas, eieren, ham, honig, suiker, koffie, melk en boter. Je nam wat brood, je draaide de molen tot bij de boter, je draaide verder tot bij de kaas, enzovoort. Ontbijt gedaan , afruimen en de tafel dekken voor het middagmaal. Van half twaalf tot twaalf had ik vrijaf, kreeg ik tijd om me wat op te frissen. Om twaalf uur at het personeel en om klokslag één uur moest het middagmaal voor de gravin en haar gevolg worden opgediend. Het was ondenkbaar, dat de keuken te laat zou zijn. Na het middageten ruimde ik weer af en deed ik de fijne afwas in mijn office. De keukenmeid deed de grote afwas, potten, ketels en pannen, in haar afwasbekken. Het gebruikte zilverwerk poetste ik op. Wanneer er eieren bij het middagmaal waren, moest ik de metalen lemmets van de zilveren messen poetsen met een champagne kurk en een speciaal poeder, anders sloegen ze zwart uit. ‘s Namiddags dekte ik de tafel voor het vieruurtje en ’s avonds voor het souper. Dat was om half acht; ik ruimde gewoonlijk af rond kwart voor negen. Na de afwas de tafel zetten voor ’s morgens. Tot tien uur had ik nog zeker werk. Het laatste werk van de dag was het binnenlaten van de hond. Die had een slaapgelegenheid achter het huis van de boswachter. Pikdonker was het er, ik moest met mijn hand aan zijn pels voelen om te weten of hij binnen was, ik zag er geen hand voor mijn ogen. Dat was mijn dagtaak. De rest van de tijd gebruikte ik om het werk van mijn weekrooster te doen. En uiteraard deed ik de deur open als er bezoek kwam. Je moest altijd ter beschikking staan. Wanneer de bel in mijn office (apart deel van de keuken) één keer rinkelde was het voor mij. Soms belde ze éénmaal en dan nog tweemaal ; dat was dan voor mij en de keukenmeid samen, om het menu van de volgende dag te bespreken. ’s Avonds belde ze maar af en toe als ze iets wilden drinken, maar ze maakten daar geen misbruik van. De familie was echt niet moeilijk voor mij. ’s Nachts werd ik niet gebeld. De gehandicapte graaf had zijn goevernante en de andere familieleden waren gezonde mensen, die hadden niemand nodig. Ik had nooit vrijaf, nooit vakantie, ik mocht wel al eens naar mijn familie in de Limburg, maar dat moest ik dan wel, speciaal aanvragen.

Op het kasteel was zo’n 16 man personeel. Beginnen we in de keuken met de keukenmeid. Zo’n keukenmeid was echt heel bekwaam, dat was een kokkin, die prepareerde alles zelf. Nu gaan de mensen naar de winkel en kopen ze blik of diepvries of gedroogde voeding, maar in die tijd werd alles zelf gemaakt. Brood bakken, groenten inleggen, confituur maken, dat hoorde er allemaal bij. Elke pudding of gebak of ijsroom moesten ze zelf maken. Zo’n korfje in bladerdeeg voor vol-au-vent, dat bakte ze beter dan de beste patissier nu! Dat waren vakmensen. D e keukenmeid werd bijgestaan door een “fille de cuisine”, het hulpje voor het schillen van de aardappelen en het schoonmaken van de groenten. Dan liep er ook nog een “fille à tout faire” rond, een manusje van alles zouden ze nu zeggen, die moest overal bijspringen: helpen schuren, ruiten zemen enzovoort. De “femme de chambre” hield toezicht op de kamers , de “lingère” was het naaistertje: die deed niets anders dan naaien, stoppen en verstellen. De ouwe Constant was er speciaal om met de gehandicapte graaf te gaan wandelen. Constant duwde zijn rolstoel. Twee boswachters waren er, twee rentmeesters, twee hoveniers, een schrijnwerker en twee knechten die het park onderhielden: elke dag werd er gerijfd, je zag geen blad, noch een eikel liggen. Op het domein was er ook een wasserij, een boerderij en in de verste uithoek van het park was het landhuis van de rijkswacht, zodat ze die ook bij de hand hadden wanneer het nodig was.

Humo: Zestien mensen personeel voor vier personen?
Leon:

Dat was daar “haut service”, piekfijn! Wanneer er veel volk op bezoek kwam deden ze soms een beroep op traiteur Schoeters van Antwerpen en die zei me eens: “Zo’n service als hier zal je nergens meer tegenkomen in België, zelfs niet op het koninklijk paleis.” Ik heb later nog bij andere noblesse gediend, maar dat was nog geen copy van hier. Hier was alles in de puntjes. En het ging allemaal zo plechtig en statig. De oude mevrouw, ze was toen bijna zeventig, dat was een schone vroow, maar ik heb ze nooit zien lachen. Die keek altijd zo plechtig alsof ze aan de communiebank zat en de Paus vlakbij was. Die had een blik in haar ogen, daar had iedereen ontzag voor. De meesten waren er zelfs bang van. De rentmeesters werden al wit als ze nog maar geroepen werden of als ze haar achter het venster zagen staan. Ik was niet bang voor haar, ik vond ze een lieve vrouw en zij was ook lief voor mij. Maar die blik in haar ogen! Een compagnie soldaten zou ze kunnen drillen zonder iets te zeggen.

Humo: U droeg een kostuum?
Leon:
Op een gewone dag droeg ik een rood vest met witte strepen en een fijngestreken witte voorschoot die bijna tot op mijn schoenen hing. Wanneer er bezoek kwam, deed ik m’n livrei aan. Op dat vest stonden vierentwintig knopen met het wapenschild van de familie en de leuze “Vilain sans reproche”.
Daaronder een grote witte devant, zo’n stijfgestreken borstrok, een donkerblauwe broek met een dikke witte bies op de naad, zwartgelakte schoenen met opengewerkte strik, witte kousen, witte -gebreide- handschoenen en een hoge witte boord onder de kin. Ik ontving de bezoekers, ik hield de deur van hun wagen open, begeleidde ze naar de vestiaire, ontdeed ze van hun jas en hoed en bracht ze bij mevrouw. Wanneer er een receptie was, moest je de mensen annonceren. Dan moest je goed bij de pinken zijn, want er zijn van die mensen die hun naam maar half uitspreken.

Wordt vervolgd.

Bronnen
Weekblad HUMO Jan Hertoghs.
Het Belang van Limburg (foto Karel Hemerijck).

Vervolg Schutterijverenigingen

Een mooie foto van omstreeks 1930 van de schuttersgilde Willem Tell is mij bezorgd door Rigo Dehollogne. Rigo verzekerde mij dat Alex Vranken hem verteld heeft dat de schuttersvereniging toen “Sint-Ambrosius” genoemd werd!

Misschien toch even een toelichting?
1 en 7 waren de gebroeders Philippaerts, wonende op de stationsstraat. Alphonse was fabrikant van fietsen.
2 Robert Cosemans en zijn zoon 15 Oscar Cosemans woonden in de Hoogdorpstraat en hadden een café en schutterij. 6 Margot Sacré was de tweede echtgenote van Robert Cosemans.
3 Jean Lenaerts en zijn vader 8 Guillaume woonden in de stationsstraat en waren beide huisschilder.
4. Dokter Smeets had zijn dokterspraktijk in de stationsstraat.
9. Alex Vranken, afkomstig van Hex was onderwijzer in de gemeentelijke jongensschool en werd 99 jaar. Hij huwde Maria Maris, dochter van Jang Maris, café-uitbater “de Pelikaan” en sigarenfabrikant op het Laagdorp
Rechts De Pelikaan tegenover het huidige café “De Ton” aan de kerkhofmuur Sint-Aldegondis.
11 Polydoor Dehollogne was eerst aannemer van bouwwerken en daarna de stichter van de houtzagerij Dehollogne in de Stationsstraat.
14 Maurice Lambrechts was gemeentesecretaris.
17 Jozef Berden had een beenhouwerij in de Stationsstraat.
18 Hubert Vandermeeren woonde in de Aardbruggenstraat en werkte in de zagerij Dehollogne. Op 28 juni 1944 werd hij op de Grote Steenweg op de grens met Sint-Lambrechts-Herk doodgeschoten zittend op zijn kar. Welke de motieven waren is nooit geweten.

Bronnen :
– Rigo Dehollogne
– Krantenknipsel “Het belang van Limburg”
– Geschiedkundige Kring Alken